Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV0435

Datum uitspraak2006-01-25
Datum gepubliceerd2006-01-26
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers16658 / HA ZA 95-1359
Statusgepubliceerd


Indicatie

Waterleidingzaak. Vaststelling schadeloosstelling op grond van artikel 37 Waterleidingwet, te betalen wegens overgang distributiegebied Masstrichts waterleidingbedrijf.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Civiel Datum uitspraak : 25 januari 2006 Zaaknummer : 16658 / HA ZA 95-1359 De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen inzake de naamloze vennootschap NV WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ LIMBURG, gevestigd te Maastricht, eiseres, procureur mr. F.H. Kuiper, advocaat mr. J.G. de Vries-Robbé te Den Haag; tegen: de naamloze vennootschap NV NUTSBEDRIJVEN MAASTRICHT, gevestigd te Maastricht, gedaagde, procureur mr. F.G.F.M. Tripels, advocaat mr. J.A.H.M. Scheiffers te Rotterdam. Partijen zullen in dit vonnis worden aangeduid als “WML” en “NM”. 1. Het verloop van de procedure WML heeft NM op 20 november 1995 gedagvaard voor deze rechtbank en heeft op de voet van artikel 28 van de Waterleidingwet gevorderd, kort gezegd, de vaststelling van de burgerrechtelijke rechten en verplichtingen die van rechtswege van NM overgaan op WML in verband met de overgang op grond van de Waterleidingwet van het distributiegebied van NM op WML. NM heeft verweer gevoerd tegen die vordering en heeft, voor het geval haar verweer zou worden verworpen, aanspraak gemaakt op schadeloosstelling. Bij vonnis van 5 september 1996 heeft de rechtbank het door NM tegen de overgang gevoerde verweer verworpen en heeft zij drie deskundigen - prof. ir. J.C. van Dijk, mr. H.J.M. van Mierlo en S. Haringa RA - benoemd teneinde haar van advies te dienen over de samenstelling van de lijst van rechten en verplichtingen. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 18 maart 1999 de lijst voorlopig vastgesteld. Nadat door onder meer NM zelf, haar Ondernemingsraad, haar Consumentenraad en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maastricht bezwaar was gemaakt tegen de voorlopige lijst, heeft de rechtbank bij vonnis van 6 juli 2000 de lijst definitief vastgesteld en heeft zij een rechter-commissaris aangewezen en (dezelfde) drie deskundigen benoemd teneinde haar van advies te dienen over de hoogte van de door WML aan NM te betalen schadeloosstelling als bedoeld in artikel 37, lid 1, Waterleidingwet. Het vervolgens door NM tegen het vonnis van 5 september 1996 ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2001 verworpen. Door de griffier is voldaan aan het bepaalde bij artikel 36, leden 2 en 3, Waterleidingwet. Op 3 februari 2003 heeft in aanwezigheid van de rechter-commissaris, de deskundigen en vertegenwoordigers van partijen een opneming plaatsgevonden, waarbij de waterpompstations Borgharen en Caberg en het hoogreservoir St. Pietersberg zijn bezichtigd. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. De deskundigen hebben bij rapport van 16 december 2004 hun advies uitgebracht. Op 24 mei 2005 hebben de deskundigen schriftelijk gereageerd op de namens WML en NM bij de rechter-commissaris ingediende bezwaren tegen het advies van de deskundigen. Conform de met partijen gemaakte procedureafspraak zijn ter zitting van 24 november 2005 de bezwaarschriften behandeld en hebben de raadslieden van partijen hun zaak doen bepleiten, waarbij zij zich hebben bediend van pleitnotities. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Bij brief van 1 december 2005 met bijlagen heeft NM nog opgave gedaan van haar “eenmalige desintegratiekosten”. WML heeft daarop bij brief van 19 december 2005 gereageerd. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 2. Het geschil 2.1 De voorgeschiedenis van deze zaak laat zich als volgt samenvatten. 2.2 WML produceert en distribueert drinkwater in de provincie Limburg. Ook NM produceerde en distribueerde drinkwater, sinds 1956 geïntegreerd in één bedrijf waarin tevens de distributie plaatsvond van onder meer elektriciteit en gas. NM voorzag een gedeelte van de gemeente Maastricht (circa 44.000 administratieve aansluitingen) van drinkwater. NM exploiteerde daartoe drie grondwaterwinningen. Het betreft pompstations Borgharen, Caberg en De Tombe. Voorts zette zij twee hoogtereservoirs in, Louwberg en St. Pietersberg. 2.3 NM was oorspronkelijk een dienst van de gemeente Maastricht, maar is in 1987 verzelfstandigd door inbreng van onder meer het waterleidingbedrijf in een naamloze vennootschap. De aandelen in NM werden aanvankelijk gehouden door de gemeente Maastricht, maar worden vanaf 2000 gefaseerd overgedragen aan Essent. Per 1 januari 2007 zal Essent enig aandeelhouder van NM zijn. 2.4 Bij besluit van december 1981, goedgekeurd in 1985, hebben Provinciale Staten van Limburg krachtens artikel 16 van de Waterleidingwet een plan tot reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening in de provincie Limburg vastgesteld. WML is daarbij aangewezen als rechtspersoon op wie het distributiegebied van de negen overige op dat moment in de provincie actieve waterleidingbedrijven overgaat. WML heeft ter uitvoering van dit reorganisatieplan vanaf 1985 acht van de betrokken waterleidingbedrijven in der minne overgenomen. NM heeft zich tegen de overname van haar distributiegebied door WML verzet. 2.5 In het vervolgens door WML tegen NM aangespannen rechtsgeding heeft NM zich onder meer verweerd met de stelling dat de onteigening op grond van de Waterleidingwet in strijd was met diverse bepalingen van het EG-verdrag. Nadat dit verweer door de rechtbank en vervolgens de Hoge Raad was verworpen en nadat de rechten en verplichtingen, die van NM op WML overgaan, waren vastgesteld, heeft de Minister van VROM het tijdstip van de overgang van het distributiegebied van NM op WML vastgesteld op 8 november 2001. 2.6 Partijen hebben vervolgens vruchteloos overleg gevoerd over de hoogte van de door WML aan NM op grond van artikel 37 Waterleidingwet te betalen schadeloosstelling, waarna het geding is voortgezet teneinde de rechtbank de schadeloosstelling te laten vaststellen. 2.7 NM maakt aanspraak op een door WML te betalen schadeloosstelling in de orde van grootte van € 80 miljoen. Zij verwijst daarbij naar in haar opdracht door Ernst & Young gemaakte berekeningen. WML stelt zich op het standpunt dat de schadeloosstelling veel lager - circa € 13,7 miljoen - dient te zijn en verwijst daarbij naar in haar opdracht door PriceWaterhouseCoopers verrichte berekeningen en naar hetgeen in Nederland bij overname van andere waterleidingbedrijven is betaald. 2.8 De door de rechtbank benoemde deskundigen begroten de schadeloosstelling, behoudens rente en kosten, op € 33.028.000,-. Beide partijen hebben bezwaren geuit tegen de conclusies van de deskundigen. De deskundigen hebben voor hun werkzaamheden in totaal gezamenlijk € 237.275,77 gedeclareerd. 3. De beoordeling 3.1 De rechtbank stelt voorop dat bij de vraag naar de hoogte van de door WML aan NM te betalen schadeloosstelling de bijzondere aard van het waterleidingbedrijf ten opzichte van “gewone”, commerciële, ondernemingen niet uit het oog mag worden verloren. Ook voor het waterleidingbedrijf van NM gold onmiskenbaar - en ook na haar verzelfstandiging - dat zij een publiek belang diende, te weten de openbare drinkwatervoorziening. De Waterleidingwet onderstreept het bijzondere karakter van waterleidingbedrijven, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in artikel 4, lid 1, van die wet: “De eigenaar van een waterleidingbedrijf is gehouden zorg te dragen, dat de levering van deugdelijk leidingwater aan de verbruikers in zijn distributiegebied gewaarborgd is in zodanige hoeveelheid en onder zodanige druk als het belang der volksgezondheid vereist.” 3.2 Voorts wijst de rechtbank in dit verband op hetgeen de deskundigen hebben opgemerkt over de bij waterleidingbedrijven in Nederland gebruikelijke uitgangspunten en taakopvatting. (deskundigenrapport p. 22-23) “Vanwege het grote maatschappelijke belang van het waarborgen van kwaliteit en beschikbaarheid van drinkwater heeft de overheid het monopolie wettelijk geregeld in de Waterleidingwet. Deze aparte status, gekoppeld aan het overheidseigendom, is de reden dat drinkwaterbedrijven een heel eigen maatschappelijke positie innemen (“semi-overheidsorganisatie”) die gekenmerkt wordt door een pro-actief beleid, dat sterk bepaald wordt door overheidsbeleid en maatschappelijke overwegingen.” (…) “Een drinkwaterbedrijf is in tegenstelling tot een ‘gewoon’ bedrijf niet gericht op het maximaliseren van de winst, maar op het verzorgen van een publiek belang, tegen kostprijs. Dit hangt samen met de overheidseigendom van de waterleidingbedrijven en de bijzondere positie vanwege de maatschappelijke betekenis van drinkwater. (…) Omdat het wenselijk is om enige reserve te bezitten bepalen de meeste drinkwaterbedrijven het tarief zodanig dat een kleine winst resteert, die gebruikt wordt om de egalisatiereserve te vullen met het oog op toekomstige investeringen en tegenvallers.” 3.3 Vervolgens geven de deskundigen een overzicht van het nettoresultaat dat de Nederlandse drinkwaterbedrijven, NM uitgezonderd, over 2002 hebben behaald. Daaruit blijkt een gemiddeld nettoresultaat van (slechts) 4,7 %. 3.4 Met betrekking tot het uitgangspunt dat de volksgezondheid zoveel mogelijk wordt gediend merken de deskundigen onder meer op: (deskundigenrapport p. 25-26) “De drinkwaterbedrijven dienen zorg te dragen voor een zodanige zuivering en distributie dat de volksgezondheid zo goed mogelijk wordt gediend en de milieubelasting waar mogelijk wordt beperkt. Dit uitgangspunt geldt al vele jaren en is onder meer vastgelegd door het Ministerie van VROM, verantwoordelijk voor de drinkwatervoorziening, in het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening (1995). In dit document staat bijvoorbeeld over ontharding (conditionering) te lezen: “van de bedrijfstak wordt verwacht dat zij, conform het gestelde in het VEWIN-milieuplan, zoveel als mogelijk in 1997 conditionering op de daarvoor in aanmerking komende productielocaties zal hebben doorgevoerd. Indien deze termijn onoverkomelijke problemen oplevert, dient het drinkwaterbedrijf hierover met de Regionale Inspecteur Milieuhygiëne afspraken te maken. Soortgelijke zinsneden in hetzelfde document spreken de drinkwaterbedrijven aan op het oplossen van de spoelwater- en slibproblematiek en het investeren in zuiveringsstappen bij verontreiniging van de bron (nitraat).” “(…) Zaken als ontharding, nitraatverwijdering en spoelwaterbehandeling worden door alle andere waterleidingbedrijven in Nederland als vanzelfsprekend beschouwd en passend bij de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor een betrouwbare en duurzame drinkwatervoorziening (“zuiver water uit een schoon milieu”).” (…) “Overigens worden de waterleidingbedrijven door de overheid ook op deze verantwoordelijkheden aangesproken, zowel via wetgeving/vergunningverlening als via beleidsmatig overleg in diverse gremia. Het uitstellen van investeringen in kwaliteitszorg en milieu wordt door de overheid niet getolereerd.” 3.5 Ook verwijst de rechtbank in dit verband naar het Waterleidingbesluit, dat in artikel 4, lid 2, voorschrijft dat leidingwater moet voldoen aan de kwaliteitseisen als weergegeven in de tabellen I, II en III opgenomen in bijlage A bij dat besluit. De parameters voor nitraat zijn opgenomen in tabel II, die voor hardheid in tabel III. Uit de artikelen 4 en 4b van het Waterleidingbesluit volgt dat eigenaren van waterleidingbedrijven in geval van overschrijding van de parameters in bedoelde tabellen verplicht zijn tot maatregelen, waaronder in ieder geval het melden aan de toezichthouder en het doen van onderzoek naar mogelijke nadelige gevolgen voor de volksgezondheid. 3.6 De rechtbank zal bij de uitleg en toepassing van het bepaalde in de Waterleidingwet, in het bijzonder ook wat betreft de vaststelling van de schadeloosstelling, de bijzondere aard van het waterleidingbedrijf steeds in acht nemen. berekeningswijze schadeloosstelling 3.7 Artikel 37 lid 2 Waterleidingwet omschrijft waaruit de schadeloosstelling in geval van een op die wet gegronde overgang van een waterleidingbedrijf bestaat: a. de contante waarde van de netto-opbrengst welke de wederpartij over de tien jaren na de overgang op de grondslag van de tarieven die zonder de overgang in haar distributiegebied zouden hebben gegolden, zou hebben behaald; b. de contante waarde van de desintegratieschade welke het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de overgang is; c. het ten tijde van de overgang nog uitstaande bedrag van het door de wederpartij voor de financiering van de drinkwatervoorziening in het betrokken gebied bestede kapitaal, voor zover dit niet is verkregen uit geldleningen ter zake waarvan de verplichtingen krachtens artikel 26 zijn overgegaan. 3.8 Voorts bepaalt artikel 37 lid 2 hoe de contante waarde en de netto-opbrengst als onder a. en b. bedoeld worden berekend. Ook de artikelen 38, 39 en 40 Waterleidingwet geven regels voor de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling, waaronder de bepaling dat de rechtbank zich ter zake van advies laat dienen door deskundigen. Het advies van de deskundigen is neergelegd in hun rapport, hun schriftelijke reactie op de bezwaarschriften en in het proces-verbaal van de zitting van 24 november 2005. 3.9 NM stelt zich, met een beroep op de parlementaire geschiedenis, op het standpunt dat de wetgever een volledige schadeloosstelling heeft beoogd en dat toepassing van de methodiek van schadeberekening van de Waterleidingwet er niet toe mag leiden dat tot een lagere schadeloosstelling wordt gekomen dan bij een schadeberekening op basis van de op grond van de Onteigeningswet ontwikkelde jurisprudentie het geval zou zijn. Zij wijst in dit verband op de in haar opdracht door onteigeningsdeskundige Verhagen opgestelde schadeberekening op onteigeningsbasis, die sluit op ruim € 77 miljoen. Ook verwijst NM naar een rapport van Ernst&Young, waarin de waarde van haar waterleidingbedrijf is berekend op basis van in de markt voor de waardebepalingen van ondernemingen ontwikkelde methoden. Dat resulteert in een “netto contante waarde” van circa € 70 miljoen of een “rendementswaarde” van € 74 miljoen. Daar dient volgens NM nog bij te worden opgeteld de in de Waterleidingwet bedoelde desintegratieschade. Voorts heeft NM Ernst&Young een begroting laten maken op grond van de methodiek van artikel 37 Waterleidingwet. Die begroting sluit op circa € 82 miljoen. Volgens NM zou toekenning van een lager bedrag niet als een volledige schadeloosstelling kunnen worden beschouwd en zou daarmee in strijd worden gehandeld met de strekking van artikel 37 Waterleidingwet en (thans) artikel 14 van de Grondwet. 3.10 WML stelt dat artikel 37 Waterleidingwet een bijzondere wijze van vaststelling van de schadeloosstelling bevat en dat de gebruiken bij “gewone” onteigeningen hier niet van toepassing zijn. Voorts wijst WML er op dat NM per aansluiting een bedrag van € 1.864 vraagt, hetgeen een veelvoud is van hetgeen in het vrije verkeer in Nederland pleegt te worden betaald, te weten zo’n € 270 à € 900 per aansluiting. De in opdracht van WML door PriceWaterhouseCoopers opgestelde berekening van de schadeloosstelling sluit op € 13,7 miljoen. Indien méér zou moeten worden betaald, zou dit volgens WML een ongefundeerd voordeel voor Essent opleveren, waarvoor de klanten van WML uiteindelijk zouden moeten opdraaien. 3.11 De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat bij de overgang van een waterleidingbedrijf als hier aan de orde de berekeningsmethodiek van artikel 37 Waterleidingwet dient te worden gevolgd, alsmede dat daarmee wordt bewerkstelligd dat een passende en volledige schadeloosstelling wordt bereikt. Blijkens de parlementaire geschiedenis, waaruit partijen en de deskundigen uitgebreid geput hebben, heeft de wetgever nadrukkelijk stilgestaan bij de vraag naar de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling en het verschil tussen een overgang op grond van de Waterleidingwet en een “gewone” onteigening. Als verschil is daarbij onder meer genoemd dat in geval van een overgang op grond van de Waterleidingwet de te onteigenen goederen reeds een publieke bestemming hebben, welke bestemming vervolgens ongewijzigd blijft, en dat sprake is van de overgang van een “going concern”. In de Nota naar aanleiding van het eindverslag, nummer 8 (zitting 1974/1975-11252), antwoordt de regering naar aanleiding van vragen over de wijze van vaststelling en de “volledigheid” van de schadeloosstelling onder meer het volgende: “Zoals in de Memories van Toelichting en van Antwoord reeds is uiteengezet, brengt de specifieke aard van de inhoud van het wetsontwerp, namelijk de concentratie van waterleidingbedrijven waarbij niet slechts de activa doch tevens de passiva overgaan van het ene bedrijf op het andere, met zich mede dat de Waterleidingwet zelfstandige regels moet geven zowel met betrekking tot de te volgen procesgang als tot de methode van de waardeberekening. De Onteigeningswet kan te dien aanzien niet worden toegepast. (…) De ondergetekende acht het zeker niet onjuist dat de wetgever op het punt van waarderingsmethoden enige richtlijnen aan de rechter geeft. Andere schadeposten dan in artikel 37 van het wetsvoorstel genoemd, zijn – als de bedrijfseconomische waarde moet worden vergoed – haars inziens niet aanwezig; in het eindverslag worden evenmin andere schadeposten genoemd. Mede gelet op de vrijheid welke de rechter heeft bij de concrete toepassing van deze wettelijke richtlijnen, ziet de ondergetekende niet in waarom de schadeloosstelling minder “volledig” zou zijn dan wanneer de wet geen richtlijnen zou geven.” 3.12 De wijze van schadebegroting door de deskundigen is naar het oordeel van de rechtbank geheel in lijn met de richtlijnen van de Waterleidingwet en strookt voorts met de uit de parlementaire geschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever. Anders dan NM is de rechtbank van oordeel dat de wijze van schadebegroting niet in strijd komt met de waarborgen van artikel 14 Grondwet en artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Dat bij toepassing van de bij “gewone” onteigeningen gebruikelijke berekeningsmethodieken tot een hogere schadeloosstelling wordt gekomen, maakt nog niet dat de bij de door de deskundigen gemaakte schadebegroting de schadeloosstelling niet als passend en volledig zou zijn aan te merken. Ook in dit verband kan niet worden voorbijgezien aan de hiervoor reeds besproken bijzondere aard en publieke bestemming van het waterleidingbedrijf. 3.13 Bij pleidooi heeft NM zich nog beroepen op het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM. Zij stelt daartoe naar de rechtbank begrijpt dat in het stelsel van de Waterleidingwet een bedrijf dat haar bedrijfsmiddelen met vreemd vermogen heeft gefinancierd in beginsel dezelfde schadeloosstelling krijgt als een bedrijf dat met eigen vermogen is opgebouwd. De rechtbank volgt NM hierin niet. Afgezien van de vraag of het hier gelijke gevallen betreft en nog afgezien van de bijzondere aard en publieke bestemming van het waterleidingbedrijf, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat het verschil in financiering zijn weerslag zal hebben op de hoogte van de onder a. en c. van artikel 37 Waterleidingwet bedoelde componenten van de schadeloosstelling, en wel in voor het bedrijf met veel “eigen” bedrijfsmiddelen gunstige zin. hoor en wederhoor 3.14 NM heeft aangevoerd dat de deskundigen bij hun onderzoek het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden. Hetgeen zij ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd rechtvaardigt die conclusie echter niet. Uit het door de deskundigen in hun rapport geschetste procesverloop en de overgelegde stukken blijkt dat partijen alle gelegenheid hebben gehad de deskundigen van informatie te voorzien en alle gelegenheid hebben gehad op elkaars standpunten en stukken, alsmede op de conceptrapportage, te reageren. De rechtbank volgt NM dan ook niet in haar stelling dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Datzelfde geldt voor het bezwaar dat NM ter zitting van 24 november 2005 heeft gemaakt tegen het feit dat de raadsman van WML bij zijn pleidooi delen van zijn pleitnotities zei over te slaan en oversloeg. Daargelaten dat de overgeslagen passages niets nieuws brachten ten opzichte van de reeds aan NM bekende stellingen van WML in de eerdere stukken van WML, geldt dat NM tijdens de zitting en gedurende de schorsing daarvan voldoende gelegenheid heeft gehad de overgeslagen passages te lezen en daarop te reageren. component a.: de contante waarde van de netto-opbrengsten 3.15 Voor de eerste in artikel 37, lid 2, Waterleidingwet onder a. genoemde component van de schadeloosstelling moet worden begroot wat de netto-opbrengsten van NM zouden zijn geweest over de tien jaren na de overgang, dus na 8 november 2001. Om de hoogte van die winst te begroten, moet worden gekeken naar de in die tien jaren te behalen opbrengsten uit de tarieven - de overgang weggedacht - en de volgens algemeen aanvaarde bedrijfseconomische beginselen gecalculeerde kosten die NM in die periode had moeten maken (TK 1970-1971, 252, nr. 3, p.17 (MvT). De deskundigen hebben daarvoor onder meer een inschatting gemaakt van de te verwachten waterafzet, tarieven, kosten en investeringen. 3.16 In het bijzonder over de investeringen die NM in bedoelde periode van tien jaar zou hebben gedaan en de tarieven die zij haar klanten in rekening zou hebben gebracht, verschillen partijen van mening. 3.17 Volgens WML is, kort gezegd, sprake van aanzienlijke achterstallige investeringen, die NM kennelijk met het oog op de overgang heeft uitgesteld. NM stelt zich op het standpunt dat de door WML als achterstallig aangeduide investeringen niet nodig waren en zijn. Deze investeringen zouden volgens NM ook in de tien jaren na de overgang door haar niet zijn gedaan, zodat de kosten daarvan niet in mindering kunnen worden gebracht op de te begroten netto-opbrengsten en daarmee op de aan NM toekomende schadeloosstelling. 3.18 De deskundigen hebben op dit punt onder meer het volgende naar voren gebracht: (deskundigenrapport p. 34-40) “Een belangrijk punt van discussie vormen de zogenaamde “achterstallige” investeringen, waarmee investeringen worden bedoeld die de komende 10 jaar naar verwachting noodzakelijk zullen zijn om op een verantwoorde wijze de bedrijfsvoering te kunnen uitvoeren. Alleen al de woordkeuze “achterstallig” geeft aan dat partijen hierover sterk van mening verschillen. Waar NM deze investeringen niet nodig vond, is WML van mening dat ze al in het verleden gemaakt hadden moeten worden. Het voorliggend rapport van DHV (“Schadeloosstelling bij overname drinkwaterbedrijf Maastricht”, versie januari 2003 …) geeft een analyse van de betreffende investeringen. Het gaat hierbij om de volgende investeringsprojecten: ? ontharding op de zuiveringen Borgharen en Caberg; ? ontharding en nitraatverwijdering op de winning de Tombe; ? nieuwbouw Caberg; ? nieuwbouw/verplaatsing Borgharen; ? nieuwbouw hoogreservoir Sint Pietersberg; ? spoelwaterbehandeling Borgharen en Caberg. DHV geeft in dit rapport een onderbouwing van de noodzaak van deze investeringen en een raming van de omvang gebaseerd op standaard kengetallen. NM bestrijdt de noodzaak van deze investeringen omdat deze naar haar mening niet wettelijk verplicht zijn. Deskundigen constateren allereerst dat NM in dit opzicht afstand neemt van de gangbare taakopvatting van de waterleidingbedrijven in Nederland. Zaken als ontharding, nitraatverwijdering en spoelwaterbehandeling worden door alle andere waterleidingbedrijven in Nederland als vanzelfsprekend beschouwd en passend bij de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor een betrouwbare en duurzame drinkwatervoorziening (“zuiver water uit een schoon milieu”). De noodzaak om 24 uur per dag, 365 dagen per jaar de beschikbaarheid van zuiver water te garanderen, leidt er ook toe dat men zaken als leveringszekerheid en het tijdig vervangen/renoveren van oudere installaties noodzakelijk acht. Het Ministerie van VROM hanteert al vele jaren soortgelijke uitgangspunten in haar beleid, ondermeer vastgelegd in wetgeving en beleidsnotities als het Beleidsstandpunt Drink- en Industriewatervoorziening. Overigens worden de waterleidingbedrijven door de overheid ook op deze verantwoordelijkheden aangesproken, zowel via wetgeving/vergunningverlening als via beleidsmatig overleg in diverse gremia. Het uitstellen van investeringen in kwaliteitszorg en milieu zal op termijn door de overheid niet getolereerd worden. (…) In reactie op het conceptrapport stelt NM (…) dat deskundigen hun stellingen terzake genoemde investeringen niet, althans onvoldoende onderbouwen. Daartoe merken deskundigen het volgende op: Over de achterstallige investeringen Ontharding Caberg, de Tombe en Borgharen Over de noodzaak van ontharding bij de pompstations van NM bestaat geen enkele twijfel. Deze pompstations distribueren het hardste water van Nederland en overschrijden zelfs de maximale waarde van 2,5 mmol/l uit tabel III, opgenomen in bijlage A van het Waterleidingbesluit. (…) Het is zonneklaar dat dit water al voor 1997 onthard had moeten worden conform de boven reeds gememoreerde doelstelling van het Beleidsplan Drink-en Industriewatervoorziening. NM was dit indertijd ook van plan, zoals WML stelt en blijkt uit het jaarverslag van NM over 1996. NM heeft vervolgens tot 2001 plannen en ontwerpen gemaakt voor ontharding. Deskundigen concluderen dan ook dat de achterstallige investeringen voor ontharding betrokken moeten worden bij de berekening van de vergoeding. Nitraatverwijdering de Tombe Ook over de noodzaak hiervan bestaat geen enkele twijfel. Het nitraatgehalte van de winning de Tombe is de laatste jaren sterk gestegen tot net onder de wettelijke norm (tabel II van het Waterleidingbesluit) van 50 mg/l. Hierbij dient opgemerkt te worden dat nitraat vanuit het oogpunt van de volksgezondheid een zeer belangrijke parameter is. De norm is op 50 mg/l gesteld i.v.m het risico op methaemoglobinemie (blue baby disease, het stikken van babies doordat nitraat zich verbindt met het hemoglobine in het bloed). Deze norm moet als een absolute bovengrens worden gezien; zo bevatten de VEWIN-aanbevelingen van 1995 een aanbeveling van 25 mg/l en hanteert de consumentenbond een streefwaarde van 10 mg/l. Daarnaast slaagt NM er momenteel slechts in de waarde van 50 mg/l te halen door het mengen van slechte putten en goede putten. Het op een dergelijke wijze “opvullen” van de norm is bedenkelijk en slechts aanvaardbaar voor de tijdsduur van de bouw van een zuivering. Bovendien is bekend dat het nitraatgehalte van dergelijke winningen relatief onvoorspelbaar is en bijvoorbeeld plotseling kan stijgen bij sterke regenval. Tenslotte zij opgemerkt dat NM de problematiek in het verleden heeft onderkend, onder meer door in het jaarverslag van 1996 nitraatverwijdering aan te kondigen. Deskundigen concluderen dan ook dat de achterstallige investeringen voor nitraatverwijdering betrokken moeten worden bij de berekening van de vergoeding. Nieuwbouw PS Caberg en reservoir St. Pietersberg PS Caberg is een oud pompstation dat dateert uit 1953. Zoals blijkt uit de door WML en DHV overgelegde stukken, voldoen de installaties op diverse punten niet meer aan wettelijke eisen, vergunningen en normen. Zo ontbreekt een Milieuwet en WVO-vergunning, voldoet de elektrische installatie niet aan de NEN 3140, voldoet de opslag van dieselolie niet aan de eisen, ontbreken diverse Arbo en veiligheidsvoorzieningen e.d. Daarnaast voldoen de installaties op diverse punten niet aan de eisen die tegenwoordig gesteld worden aan leveringszekerheid en technisch bedrijfsbeleid voor drinkwaterinstallaties, zoals onder meer gespecificeerd in de Richtlijn Beschermingsplan Waterleidingbedrijven (VROM, maart 1991). Zo is de energietoevoer enkelvoudig uitgevoerd met als risico dat bij storing het gehele pompstation buiten bedrijf gaat en zijn winputten, filters en reinwaterkelders niet voorzien van ongedierteroosters en mechanisch gecontroleerde luchtbehandelingsinstallaties. De werktuigbouwkundige installaties verkeren in slechte staat. Voorts is de energievoorziening en verdeling opgesteld in de pompenkelder, waardoor bij inundatie de gehele elektrische installatie onder water kan komen te staan. Ook verder zijn de installaties niet voorzien op segmentering waardoor bij bacteriologische besmetting de gehele installatie langdurig uit kan vallen. Tenslotte is de spoelwatervijver niet voorzien van een onderafdichting met als risico verontreiniging van het grondwater. Op grond van al deze overwegingen constateren deskundigen dat nieuwbouw van PS Caberg noodzakelijk is en de kosten daarvoor betrokken dienen te worden in de berekening van de contante waarde van de opbrengsten. Deskundigen baseren zich daarbij op de meest recente raming van DHV (augustus 2004). Voor reservoir St Pietersberg geldt dat gevaar voor verzakking van de ondergrond op grond van de huidige kennis niet uitgesloten kan worden, zoals o.m. blijkt uit het onderzoek van GeoControl. Reservoir 1 is inmiddels niet meer toegankelijk en buiten bedrijf geplaatst. Daarnaast voldoen ook bij reservoir 2 de installaties op diverse punten niet meer aan de eisen van deze tijd. Ook hier zijn geen Milieuvergunning en WVO-vergunning aanwezig, voldoet de elektrische installatie niet aan de NEN 3140, ontbreken Arbo- en veiligheidsvoorzieningen en zijn geen ongedierteroosters aanwezig op de beide noodoverstorten. Op grond van deze overwegingen constateren deskundigen dat nieuwbouw van reservoir St Pietersberg noodzakelijk is en de kosten daarvan betrokken dienen te worden in de berekening van de contante waarde van de opbrengsten. Deskundigen baseren zich daarbij op de meest recente raming van DHV (augustus 2004).” 3.19 NM heeft ook in haar toelichting ten behoeve van de deskundigen en in haar bezwaarschrift volhard in haar betwisting van de noodzaak van de investeringen. Wat de hardheid betreft, stelt zij dat de norm opgenomen in bijlage A van het Waterleidingbesluit weliswaar wordt overschreden, maar dat dat geen nadelige gevolgen heeft voor de volksgezondheid. Met betrekking tot de nitraatverwijdering stelt zij dat een nitraatgehalte van 44 mg/l of 45 mg/l weliswaar hoog is, maar onder het wettelijke maximum ligt. Door bijmenging van water met een hoog nitraatgehalte met water uit putten met een lager gehalte, zou volgens NM ook in de toekomst steeds kunnen worden voorkomen dat de bovengrens van 50 mg/l wordt overschreden. Volgens NM mag niet tot uitgangspunt worden genomen dat NM “méér zou hebben willen doen ten behoeve van haar klanten dan te voldoen aan de eisen die de wet stelt”. 3.20 De deskundigen hebben in reactie daarop nog onder meer het volgende gesteld. (reactie deskundigen op bezwaarschriften, p.16-17) “ontharding wel of niet: NM distribueert het hardste drinkwater van Nederland en was het enige bedrijf waar de norm van het Waterleidingbesluit werd overschreden. Rijksoverheid en alle andere drinkwaterbedrijven onderschrijven dat er diverse waterkwaliteitsredenen zijn om te ontharden, te weten volksgezondheid (in verband met het feit dat hard water in staat is om lood en koper uit leidingmaterialen op te lossen, met name lood is van groot belang voor de volksgezondheid), milieu (minder detergenten en lozingen van brijn via particuliere ontharders), economie (lagere energiekosten, zeepverbruik en slijtage) en esthetica (geen vlekken op glaswerk e.d.). Alle andere drinkwaterbedrijven hebben dan ook hun water waar nodig onthard, dikwijls al vele jaren geleden. nitraatverwijdering of niet: NM distribueert water met het hoogste nitraatgehalte van Nederland en zit dicht tegen de absolute bovengrens van 50 mg/l (zie ook hierboven). De vergelijking van IJzeren Kuilen houdt geen steek omdat daar water gemengd wordt met het oog op ontharding; bovendien is het nitraatgehalte veel lager. Bij de enige installatie in Nederland die een vergelijkbare nitraatgehalte heeft als NM, is reeds een zuiveringsinstallatie voor nitraat gebouwd. preventief onderhoud/renovatie/nieuwbouw Caberg/St. Pietersberg of niet: Rijksoverheid en alle andere drinkwaterbedrijven in Nederland plegen preventief onderhoud dan wel renoveren of vervangen oude installaties. NM heeft dat jarenlang nagelaten. Het argument dat reservoir St. Pietersberg niet nodig zou zijn omdat het functioneert als suppletiereservoir (wordt ’s nachts gevuld en overdag levert het aan het net) is niet steekhoudend want dit geldt voor vele distributiereservoirs in Nederland, die wel degelijk een functie hebben in het kader van de leveringszekerheid.” 3.21 Gelet op de bevindingen van de deskundigen moet het er voor worden gehouden dat de bedoelde investeringen door NM binnen de periode van tien jaar na de overgang zouden zijn gedaan. Aan de stelling van NM dat de investeringen niet wettelijk verplicht zijn en alleen al daarom niet (wat de ontharding betreft: “hooguit onder druk van de burgerij”) zouden zijn gedaan, moet worden voorbijgegaan. Aangenomen mag worden - en, bij de toepassing van artikel 37 Waterleidingwet, moét worden - dat NM dát zou hebben gedaan wat een redelijk en verantwoordelijk opererend waterleidingbedrijf in haar situatie zou hebben gedaan: investeren. De in de jaren voorafgaand aan de overgang gebezigde praktijk van NM en haar stellingname in dit geding zijn daarbij niet van doorslaggevend belang. 3.22 Volgens WML zouden de tarieven in de tien jaren na de overgang slechts in beperkte mate stijgen en zouden de kosten van de achterstallige investeringen door NM niet (opnieuw) aan de afnemers in rekening kunnen worden gebracht. NM stelt echter dat het haar vrij zou staan - en zij van die vrijheid gebruik zou hebben gemaakt - de tarieven te verhogen met de kosten van de in de visie van de deskundigen te verrichten investeringen. 3.23 De deskundigen zeggen hierover onder meer het volgende: (deskundigenrapport p. 24-25) “Deskundigen constateren dat NM zich in het verleden niet heeft geconformeerd aan het algemeen geaccepteerde principe van werken tegen kostprijs. NM heeft de afgelopen jaren een relatief zeer hoge winst afgedragen aan de gemeente. Zo werd in de jaren 1998 t/m 2001 conform de cijfers van Ernst&Young een jaarlijkse winst van circa 4 miljoen euro behaald op een omzet van 7,5 miljoen euro ofwel een winstpercentage van meer dan 50%! Dit betekent dat alleen al in die 4 jaren een bedrag aan “overwinst” van orde 15 miljoen euro aan het bedrijf is onttrokken, een bedrag waarvoor bijvoorbeeld de ontharding ruimschoots had kunnen zijn betaald. Deskundigen constateren voorts dat de winsten van NM in de afgelopen jaren niet zijn gestort in een egalisatiereserve, waardoor ze nu niet beschikbaar zijn voor investeringen in bijvoorbeeld ontharding. Dit overigens in tegenstelling tot uitingen in het jaarverslag van NM van 1996 waar de toenmalige tariefsverhoging mede werd gemotiveerd met het oog op de ontharding. Gelet op de hoogte van de in het verleden gemaakte winsten, het feit dat die winsten nog genoeg ruimte bieden om die investeringen te plegen en het feit dat NM tariefsverhogingen in het verleden motiveerde met het oog op nog te plegen investeringen, concluderen deskundigen dat het billijk en in overeenstemming met de Waterleidingwet is om de kosten van de nog te plegen investeringen te betrekken bij de berekening van toekomstige resultaten, zonder daarbij uit te gaan van een gehele of gedeeltelijke compensatie door middel van tariefsverhogingen.” 3.24 Gelet hierop moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat NM, mede gelet op de voor een waterbedrijf zeer hoge winst over de voorgaande jaren, de kosten van de noodzakelijke investeringen niet (andermaal) aan haar afnemers in rekening zou (kunnen) brengen. Dit niettegenstaande de stelling van NM in dit geding dat zij niet van extra tariefverhogingen zou hebben afgezien. In dit verband wijst de rechtbank op de onweersproken stelling van WML dat NM in haar jaarverslag van 1996 een aanmerkelijke tariefsverhoging van f 0,30 per m3 mede heeft gemotiveerd met “belangrijke investeringen die noodzakelijk zijn voor waterontharding en nitraatverwijdering”, welke investeringen nooit zijn gerealiseerd, en dat de extra opbrengsten die NM heeft gehaald met de verhoging van de tarieven (door WML over de jaren 1996-2001 geschat op € 6 miljoen) niet zijn gereserveerd voor ontharding en nitraatverwijdering maar zijn uitgekeerd als dividend aan de aandeelhouders. Ook hier dient er bij de vaststelling van de schadeloosstelling weer van te worden uitgegaan dat NM zich als een redelijk en verantwoordelijk opererend waterleidingbedrijf zou hebben opgesteld en daarmee dat zij de kosten van de investeringen niet (andermaal) aan haar afnemers in rekening zou hebben gebracht. Onder meer bij pleidooi heeft NM beredeneerd dat het alleszins redelijk is te achten dat haar klanten nogmaals zouden betalen voor de als achterstallig aangemerkte investeringen door te stellen dat de winsten van NM door uitkering aan haar aandeelhouder (de gemeente Maastricht) ten goede zijn gekomen aan alle burgers in Maastricht en dat die burgers derhalve degenen zijn die uiteindelijk van het achterwege blijven van die investeringen hebben geprofiteerd. De rechtbank acht het echter hoogst onwaarschijnlijk dat de klant zich zou laten overtuigen met deze redenering. De rechtbank acht het integendeel zeer waarschijnlijk dat de klant - naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden - zou stellen dat hij reeds voor de investeringen heeft betaald en dat hij niet gevolgen hoeft te dragen van het feit dat NM de voor een bepaald doel ontvangen gelden voor andere doelen heeft gebruikt. 3.25 De deskundigen hebben zich ten aanzien van alle door hen genoemde investeringsprojecten op het standpunt gesteld dat deze noodzakelijk zijn, waarbij zij zich mede hebben gebaseerd op het rapport van DHV Water B.V., hierna “DHV”. Ook wat betreft de met de renovatie gemoeide kosten sluiten de deskundigen zich aan bij DHV. Ten aanzien van het investeringsproject “nieuwbouw/verplaatsing Borgharen” nemen de deskundigen echter het standpunt in dat de kosten daarvan niet betrokken dienen te worden bij de bepaling van de netto-opbrengsten over de periode van tien jaren na de overgang. Redengevend voor hen is daarbij dat ten tijde van de overgang de verwachting bestond dat pompstation Borgharen op korte termijn zou worden onteigend in verband met de uitvoering van het zogenaamde Grensmaasproject en dat daartegenover een volledige onteigeningsvergoeding zou staan. Voor NM zou de noodzakelijke herbouw van pompstation Borgharen daarmee budgettair neutraal verlopen. Naar voor de deskundigen en partijen inmiddels echter vaststaat, zal de onteigening van “Borgharen” niet voor 2015 aan de orde zijn. Gelet daarop ziet de rechtbank niet in waarom bij de bepaling van de onderhavige schadeloosstelling dient te worden vastgehouden aan het aanvankelijke - onjuist gebleken - uitgangspunt van onteigening binnen tien jaar. De tussen partijen gevoerde discussie over de vraag in hoeverre de onteigeningsvergoeding tot een volledige schadeloosstelling zou leiden in die zin dat daarmee ook de kosten van de achterstallige investeringen zouden zijn gedekt, kan dan ook buiten beschouwing blijven. 3.26 Het voorgaande brengt met zich dat naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van investeringsproject “nieuwbouw/verplaatsing Borgharen” niet anders dient te worden geoordeeld dan ten aanzien van de overige investeringsprojecten. 3.27 De deskundigen hebben zich wat betreft de benodigde achterstallige investeringen en de kosten daarvan beroepen op rapporten van DHV. De rechtbank zal het advies van de deskundigen op dit punt overnemen. NM heeft weliswaar met verwijzing naar een in haar opdracht door KIWA opgesteld rapport van november 2000 (“Onthardingsplan Maastricht update”) gesteld dat er goedkopere alternatieven zijn voor de door DHV gekozen technische oplossingen, maar om niet nader verklaarde redenen heeft NM dit rapport gedurende het deskundigenonderzoek niet onder de aandacht van de deskundigen gebracht. Pas nadat de deskundigen hun definitieve rapport hadden afgegeven, bij haar bezwaarschrift, heeft NM het KIWA-rapport overgelegd. Te meer nu het rapport van DHV over de investeringen al bij de zitting van 3 februari 2003 door WML is overgelegd en de achterstallige investeringen en de kosten daarvan reeds toen onderwerp van debat waren, had NM het rapport van KIWA, indien zij het van belang vond dat dat bij de oordeelsvorming zou worden betrokken, in een eerder stadium dienen in te brengen. Dat had niet alleen ter zitting van 3 februari 2003 gekund, maar ook bij haar aanvullende nota’s van 31 maart 2003 en 18 juli 2003, of - uiterlijk - bij haar reactie op het concept-deskundigenrapport van 31 maart 2004. Een goede procesorde verzet zich ertegen dat het rapport van KIWA nog een rol van betekenis speelt bij de bepaling van de schadeloosstelling of dat nader advies wordt gevraagd over de investeringen en kosten. Daarbij komt dat de deskundigen in hun reactie op de bezwaarschriften hun advies ook op deze punten hebben gehandhaafd. 3.28 Het voorgaande betekent dat bij de berekening van de netto-opbrengsten de herbouwkosten voor pompstation Borgharen niet buiten beschouwing kunnen blijven. Bij de berekening van de schadeloosstelling dienen derhalve de door DHV geraamde kosten daarvan van in totaal € 4.813.000 (rapport 29 januari 2003, p. 11) te worden betrokken. Het resultaat hiervan is dat de netto-opbrengsten op een lager bedrag dienen te worden gesteld dan door de deskundigen berekend en dat de schadeloosstelling dienovereenkomstig dient te worden bijgesteld. Daarbij dient voor het overige de door de deskundigen gehanteerde methodiek te worden gevolgd (zie o.a. p. 54 van het deskundigenrapport). De rechtbank acht partijen in staat het exacte resultaat van deze aanpassing te (laten) berekenen. Gelet daarop zal de rechtbank geen nadere opdracht aan de deskundigen verstrekken. Indien partijen het niet eens worden over de aanpassing, staat het hun uiteraard vrij de deskundigen alsnog te raadplegen. 3.29 Voor het overige kan de rechtbank zich geheel vinden in het advies van de deskundigen over de contante waarde van de netto-opbrengsten. De rechtbank neemt de overwegingen van de deskundigen in zoverre over en maakt deze tot de hare. component b.: de desintegratieschade 3.30 Bij de desintegratieschade gaat het om bijkomende schade die samenhangt met het losmaken van de drinkwatervoorziening uit een nutsbedrijf waar voorzieningen zoals water, gas en elektriciteit gecombineerd zijn. Volgens de Minister (T.K. p. 4223) kan daarbij worden gedacht aan “waterfitters die werkloos worden, kantoorruimte die leeg komt te staan, een aangelegde pijpleiding die niet langer kan worden gebruikt, kortom al die schade die men niet zou hebben geleden als het bedrijf niet was overgegaan”. De deskundigen spreken van eenmalige en (semi)permanente desintegratieschade. 3.31 Wat de eenmalige desintegratiekosten betreft, maken de deskundigen en partijen onderscheid tussen interne kosten en externe kosten. Bij de interne kosten gaat het om kosten van onder anderen bestuurders, juristen en financieel verantwoordelijken binnen de organisatie van NM samenhangend met de overgang van het waterleidingbedrijf. Deze kosten bedragen volgens NM ruim € 350.000. Bij de externe kosten gaat het om kosten van onder meer de door NM ingeschakelde advocaten en accountants, samen goed voor ruim € 830.000. 3.32 Wat de door NM opgevoerde interne kosten betreft is de rechtbank met de deskundigen van oordeel dat hiermee bij de schadeloosstelling geen rekening dient te worden gehouden, omdat de tijdsbesteding van bedoelde functionarissen van NM aan deze zaak behoort tot hun taak, de (loon)kosten van deze functionarissen ook gemaakt zouden zijn zonder de overgang en omdat onvoldoende aannemelijk is dat NM inkomsten misloopt of heeft misgelopen doordat bedoelde functionarissen zich met de overgang hebben beziggehouden. 3.33 Wat de externe kosten betreft is de rechtbank anders dan de deskundigen van oordeel dat deze niet dienen te worden beoordeeld in het kader van de desintegratieschade maar in het kader van artikel 40, lid 4, Waterleidingwet. De rechtbank komt hierop hierna bij de bespreking van de proceskosten terug. 3.34 Ten aanzien van de (semi)permanente desintegratieschade heeft WML aangevoerd dat NM gehouden was haar schade te beperken, dat haar reeds vanaf 1985 bekend was dat haar waterleidingbedrijf zou overgaan en dat zij vanaf dat moment al maatregelen had kunnen treffen om desintegratieschade te voorkomen of beperken. De rechtbank is met WML van oordeel dat op NM de verplichting rust haar schade te beperken, hetgeen reeds volgt uit de omstandigheid dat het bij desintegratieschade dient te gaan om schade die “het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de overgang”. De rechtbank is voorts met WML van oordeel dat er een ook in het kader van de schadebeperkingsplicht relevant verschil is tussen een particuliere ondernemer die wordt onteigend enerzijds en een waterleidingbedrijf met publieke bestemming anderzijds. Echter, ook bij die laatste dient naar het oordeel van de rechtbank het moment van de overgang in beginsel als begindatum te worden genomen voor de schadebeperkingsplicht. Ook van een waterleidingbedrijf als NM kon niet zonder meer gevergd worden dat zij bij haar bedrijfsvoering reeds vooruitliep op de - door haar overigens bestreden - overgang. Dit zou anders kunnen zijn voor zover de schade mede zou zijn toe te schrijven aan onredelijk of onverantwoord handelen van NM voorafgaand aan de overgang. Dat daarvan in dit verband sprake is geweest is echter gesteld noch gebleken. Te weinig concreet is in dit verband de stelling van WML in haar reactie op de conceptrapportage dat zij “op het oog [heeft] organisatorische maatregelen die zijn genomen en investeringen die zijn gedaan in het kader van en na de (geleidelijke) overname van NM door Essent”. Aan de stelling van WML dat de deskundigen voor wat betreft de schadebeperkingsplicht een vroegere datum als peildatum hadden dienen te hanteren, zal de rechtbank dan ook voorbijgaan. 3.35 Voor het overige kan de rechtbank zich geheel vinden in het advies van de deskundigen over de contante waarde van de desintegratiekosten. De rechtbank neemt de overwegingen van de deskundigen in zoverre over en maakt deze tot de hare. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen over de “eenmalige desintegratiekosten” resulteert dit in een desintegratieschade van € 5.311.000,-. component c.: het bestede kapitaal 3.36 De rechtbank kan zich geheel vinden in het advies van de deskundigen over de component van de schadeloosstelling die verband houdt met het uitstaande bedrag van het bestede kapitaal. De deskundigen stellen deze component op € 8.100.000. De rechtbank neemt de overwegingen van de deskundigen in zoverre over en maakt deze tot de hare. rente over de schadeloosstelling 3.37 Ingevolge artikel 37, lid 3, Waterleidingwet is WML vanaf de dag van de overgang, 8 november 2001 derhalve, een door de rechtbank aan te wijzen rente verschuldigd over het bedrag van de vastgestelde schadeloosstelling. Partijen zijn het erover eens dat dit in het onderhavige geval een rente gelijk aan de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW dient te zijn. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. de proceskosten 3.38 Artikel 40 lid 4 bepaalt dat de rechtbank de partij op wie het waterleidingbedrijf overgaat veroordeelt “tot betaling van de kosten in het geding”. 3.39 De rechtbank stelt voorop dat het haar bij de toepassing van deze bepaling aangewezen voorkomt aansluiting te zoeken bij hetgeen over proceskosten wordt bepaald in artikel 50 Onteigeningswet. Dit brengt met zich dat de door NM gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand, inclusief de preprocessuele kosten, in beginsel volledig voor vergoeding in aanmerking komen, zulks met inachtneming van de dubbele redelijkheidstoets. 3.40 WML heeft de stelling betrokken dat de proceskostenveroordeling bedoeld in artikel 40 lid 4 Waterleidingwet, gelet op de plaatsing van die bepaling in hoofdstuk III (Reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening), derde afdeling (Rechtsgevolgen van het plan), paragraaf 4 (Schadeloosstelling ter zake van de vermogensovergang en de winstderving) van de wet, slechts kan zien op de schadeprocedure en niet ook op de daaraan voorafgegane lijstprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank dwingt de plaatsing van artikel 40, lid 4 echter niet tot deze conclusie en is daarvoor geen aanknopingspunt of rechtvaardiging in de wetsgeschiedenis te vinden. 3.41 Bij vonnis van 5 september 1996 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.12 overwogen dat NM bij eindvonnis zal worden veroordeeld in de tot aan eerstbedoelde uitspraak gerezen proceskosten aan de zijde van WML. Bij vonnis van 6 juli 2000 heeft de rechtbank NM veroordeeld in de tot aan de uitspraak van 5 september 1996 begrote proceskosten en heeft zij, gelet op het bepaalde in artikel 40 lid 4 Waterleidingwet, een beslissing over de verdere kosten van het geding aangehouden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2001, is de proceskostenveroordeling in kracht van gewijsde gegaan. Bij bedoeld arrest heeft de Hoge Raad NM bovendien veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarmee is onherroepelijk beslist over de kosten voor zover samenhangend met het in het voordeel van WML beslechte debat over - kort gezegd - de rechtsgeldigheid van de op de Waterleidingwet gebaseerde gedwongen overgang. Daarmee verhoudt zich niet, zoals door NM bepleit, dat haar kosten verband houdende met dat deel van de procedure op de voet van artikel 40 lid 4 Waterleidingwet of bij wijze van eenmalige desintegratieschade als bedoeld in artikel 37 lid 2 van die wet alsnog ten laste van WML worden gebracht. Bij de verdere beoordeling van de toewijsbaarheid van de door NM gestelde kosten van juridische bijstand zullen de kosten van het geding tot aan het vonnis van 5 september 1996 en van het geding in cassatie derhalve buiten beschouwing moeten blijven. 3.42 NM maakt aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 831.879,52 aan externe kosten, waarvan € 250.317,67 aan accountantskosten, € 518.685,62 aan advocaatkosten en € 62.876,23 aan kosten van onteigeningsdeskundige Verhagen. 3.43 Zoals hiervoor is opgemerkt komen de kosten van juridische bijstand ter zake de cassatieprocedure niet voor vergoeding in aanmerking. De declaraties vanaf het derde kwartaal van 2000 tot en met het vierde kwartaal van 2001, alle op het overzicht van NM met omschrijving “Hoge Raad”, dienen te worden geschrapt. In totaal betreft het € 31.853,66. Voorts kan niet worden vergoed de declaratie over de periode voorafgaand aan het vonnis van 5 september 1996. Dit betreft € 2.092,67. 3.44 Ten aanzien van de overige kosten van juridische en andere deskundige bijstand overweegt de rechtbank het volgende. NM heeft er op gewezen dat over de toepassing van artikel 37 Waterleidingwet geen jurisprudentie voorhanden is, hetgeen heeft geleid tot vergelijkende berekeningen, meer tijdsbesteding en daarmee tot hogere kosten. WML heeft in haar reactie op de kostenopstelling van NM gesteld dat de kosten “zeer hoog” zijn, maar heeft slechts ten aanzien van een deel van de kosten van deskundige Verhagen het standpunt ingenomen dat deze in redelijkheid niet gemaakt hadden behoeven te worden. De rechtbank is mede om de door NM aangevoerde reden van oordeel dat de door NM gemaakte kosten voor het opstellen van alternatieve, vergelijkende berekeningen redelijk zijn. De daarvoor opgevoerde kosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. Voor de overige kosten geldt dat de rechtbank, nu deze door WML niet weersproken zijn, geen reden zien tot toetsing. WML zal ook deze kosten aan NM dienen te vergoeden. 3.45 Ook toewijsbaar is het bedrag van € 7.626,50 aan “kosten wegens uitkoppeling”, wat daarmee ook wordt bedoeld, gelet op de stelling van WML in haar reactie op de kostenopstelling dat zij tegen toewijzing daarvan geen bezwaar heeft. 3.46 WML zal ter zake de proceskosten derhalve aan NM dienen te betalen [€ 831.879,52 - (€ 31.853,66 + € 2.092,67) + € 7.626,50 =] € 805.559,69. 3.47 De door de rechtbank benoemde deskundigen hebben voor hun werkzaamheden in totaal gezamenlijk € 237.275,77 gedeclareerd. De rechtbank zal hun kosten dienovereenkomstig vaststellen. Ook deze kosten, die deels door NM zijn voorgeschoten, zullen gelet op artikel 40 lid 4 Waterleidingwet door WML dienen te worden gedragen. slotsom 3.48 Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende vaststelling van de schadeloosstelling: - De contante waarde van de netto-opbrengsten, zijnde het door de deskundigen geadviseerde bedrag van € 19.354.000,-, verminderd overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 3.28 is overwogen; - De desintegratieschade: € 5.311.000,-; - Het uitstaande bedrag van het bestede kapitaal: € 8.100.000,-. 3.49 Dit totaalbedrag zal worden vermeerderd met rente en kosten als in het dictum van dit vonnis vermeld. De rechtbank heeft hierbij geen rekening kunnen houden met een eventueel door WML betaald voorschot, nu daarover onvoldoende duidelijkheid is verstrekt. 3.50 Ten slotte zal WML worden veroordeeld in de proceskosten, de deskundigenkosten daaronder begrepen. 4. De beslissing De rechtbank: veroordeelt WML om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan NM te betalen de schadeloosstelling als hiervoor onder 3.48 omschreven, te vermeerderen met een rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 8 november 2001 tot de dag der algehele voldoening; stelt de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen vast op in totaal € 237.275,77; veroordeelt WML in de proceskosten, aan de zijde van NM begroot op € 805.559,69 ter zake de door haar gemaakte kosten van juridische en andere deskundige bijstand en op € 94.978,96 ter zake door NM voorgeschoten kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mrs. P.E. de Kort (voorzitter), J.F.W. Huinen en J.R. Sijmonsma, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.